ECLI:NL:RBDHA:2023:9786

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 mei 2023
Publicatiedatum
6 juli 2023
Zaaknummer
NL23.14932
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaard beroep tegen voortduren maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

Eiser is op 21 februari 2023 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep getoetst aan de criteria van redelijkheid en rechtmatigheid, waarbij onder meer is gekeken naar het zicht op uitzetting, de voortvarendheid van verweerder bij het nemen van stappen richting uitzetting, de mogelijkheid van een lichter middel dan bewaring, en het recht op familie- en gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelt dat er redelijk zicht is op uitzetting omdat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt en geen weigering van een laissez passer is gemeld. Verweerder neemt regelmatig contact op met de autoriteiten en heeft een vertrekgesprek gepland. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die het gebruik van een lichter middel rechtvaardigen. Het beroep op schending van het recht op familie- en gezinsleven raakt niet aan de rechtmatigheid van de bewaring en is reeds eerder beoordeeld.

Gelet op deze overwegingen is de maatregel van bewaring rechtmatig en het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.14932
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Verweerder heeft op 21 februari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1969.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 mei 2023 (in de zaak NL23.12511) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten
grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
Redelijk vooruitzicht op uitzetting
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat zicht op uitzetting ontbreekt. Volgens hem heeft verweerder geen nieuw feit of argument naar voren gebracht dat een effectieve uitzetting mogelijk maakt.
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat er geen redelijk zicht op uitzetting is. Het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt en zij hebben niet te kennen gegeven op voorhand geen laissez passer aan eiser te zullen verstrekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarendheid
6. Eiser stelt dat verweerder zijn uitzetting onvoldoende voortvarend ter hand neemt.
7. Verweerder rappelleert met regelmaat bij de Marokkaanse autoriteiten, laatstelijk op 17 mei 2023. Daarnaast heeft verweerder in zijn verweerschrift van 25 mei 2023 aangegeven op 25 mei 2023 een vertrekgesprek te hebben gepland met eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
8. Eiser stelt dat verweerder dient te volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring, bijvoorbeeld in de vorm van een meldplicht. Volgens eiser zijn er geen bijzondere omstandigheden die een langere duur van de maatregel van bewaring nog rechtvaardigen.
9. Voor de beroepsgrond over het opleggen van een lichter middel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 8 mei 2023, overweging 9. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Recht op familie- en gezinsleven
10. Eiser stelt dat zijn uitzetting in strijd is met zijn recht op familie- en gezinsleven, als gewaarborgd in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
11. Deze beroepsgrond slaagt niet, omdat deze niet raakt aan de onrechtmatigheid van de bewaring. Zoals verweerder overigens in zijn verweerschrift heeft opgemerkt is deze beroepsgrond reeds beoordeeld bij het besluit van 29 maart 2017, waarin het verblijfsrecht van eiser is ingetrokken en aan hem een inreisverbod is opgelegd.
Conclusie
12. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig voortduurt.
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van N.J.R. Kalaykhan, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
31 mei 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.