ECLI:NL:RBDHA:2023:9790

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 mei 2023
Publicatiedatum
6 juli 2023
Zaaknummer
NL23.14414
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring en verzoek om schadevergoeding afgewezen

Verweerder legde op 8 september 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank stelde vast dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek rechtmatig was en dat de beoordeling zich daarom beperkte tot de periode daarna. Verweerder heeft de bewaring op 15 mei 2023 opgeheven. Eiser stelde dat de maatregel vanaf 12 mei 2023 onrechtmatig was geworden vanwege het niet nagekomen bezoek van de Nigeriaanse autoriteiten, maar de rechtbank oordeelde dat de onzorgvuldige communicatie hierover niet tot onrechtmatigheid leidde.

De rechtbank vond dat verweerder een redelijke bedenktijd had om te bepalen hoe te handelen na het niet doorgaan van het bezoek en dat de opheffing van de bewaring op 15 mei 2023 niet onredelijk laat was. Er was geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.14414
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Verweerder heeft op 8 september 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft op 15 mei 2023 de maatregel van bewaring opgeheven De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 mei 2023 (in de zaak NL23.12602) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten
grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Verweerder heeft toegezegd dat de Nigeriaanse autoriteiten eiser op 11 mei 2023 in zijn cel van het detentiecentrum te Rotterdam zouden bezoeken in het kader van een presentatie in persoon. In de voortgangsrapportage van 14 mei 2023 heeft verweerder vermeld dat de voorgenomen presentatie geen doorgang heeft gevonden en dat dit aan eiser te wijten is. Eiser betwist dit en stelt dat de Nigeriaanse autoriteiten hem niet in zijn cel bezocht hebben, zoals was toegezegd. Hij meent dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door geen juiste voorstelling van zaken te geven. Voorts stelt hij dat de maatregel van bewaring met ingang van 12 mei 2023 onrechtmatig is geworden. Vanaf die datum was immers duidelijk dat verweerder zijn eerder gedane toezegging omtrent de datum en de wijze van het bezoek niet heeft nagekomen.
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij brief van 19 mei 2023 heeft meegedeeld dat de reden waarom de voorgenomen presentatie op 11 mei 2023 niet heeft plaatsgevonden onduidelijk is. Daarmee heeft verweerder zijn vermelding in de voortgangsrapportage van 14 mei 2023 gecorrigeerd. De vermelding van 14 mei 2023 was blijkbaar onjuist en in zoverre onzorgvuldig. De rechtbank ziet evenwel niet in op welke wijze eiser door deze aanvankelijke onjuistheid in zijn belang is geschaad. Evenmin maakt deze onjuistheid de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig.
5. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder enige tijd heeft mogen nemen om te bezien welk gevolg hij zou verbinden aan de omstandigheid dat de voorgenomen presentatie van 11 mei 2023 geen doorgang had gevonden. Verweerder is op 15 mei 2023 tot de conclusie gekomen dat eisers belang bij invrijheidstelling zwaarder woog dan het belang van verweerder bij de voortduring van de maatregel van bewaring. Dientengevolge heeft verweerder de maatregel van bewaring op 15 mei 2023 opgeheven. De rechtbank acht de bedenktijd die verweerder sinds 11 mei 2023 heeft gebruikt niet onredelijk lang. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
N.J.R. Kalaykhan, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 mei 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.