Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
1 september 2022.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Somalische nationaliteit, heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend in Nederland. Verweerder heeft dit verzoek niet in behandeling genomen op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Nederland heeft op 30 augustus 2022 een verzoek tot terugname bij Zweden ingediend, dat op 1 september 2022 is aanvaard.
Eiser voert aan dat hij in Zweden is uitgeprocedeerd en dat hij een vertrektermijn heeft gekregen. Hij vreest indirect refoulement en stelt dat Nederland zijn asielverzoek op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling moet nemen. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende concreet heeft onderbouwd waarom het bestreden besluit niet standhoudt.
De rechtbank benadrukt het interstatelijk vertrouwensbeginsel en stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Zweden zijn internationale verplichtingen niet zal nakomen. De garanties van de Zweedse autoriteiten en de eerdere opvang en rechtshulp die eiser heeft ontvangen, ondersteunen dit oordeel. Klachten over tekortkomingen in Zweden dienen daar te worden ingediend. Ook de psychische klachten van eiser zijn door verweerder adequaat betrokken in het besluit.
Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet-in behandeling nemen van zijn asielverzoek wordt ongegrond verklaard.