Eiser, van Tunesische nationaliteit, werd op 7 juni 2023 in bewaring gesteld door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwistte de rechtmatigheid van de bewaring, stellende dat zijn identiteit reeds was vastgesteld met een pasje van het Tunesische leger. De rechtbank oordeelde echter dat dit pasje geen officieel identiteitsbewijs is en dat eiser bovendien eerder verklaarde de Algerijnse nationaliteit te hebben, wat de vaststelling bemoeilijkt.
De rechtbank stelde vast dat de zware gronden voor bewaring, waaronder het niet voldoende meewerken aan het vaststellen van identiteit en nationaliteit, feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren. Ook de lichte gronden, zoals het ontbreken van vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan, werden niet betwist. Eiser voerde aan dat een lichter middel passend was, maar de rechtbank vond het risico op onttrekking voldoende onderbouwd om bewaring te rechtvaardigen.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter J.G. Nicholson op 23 juni 2023 in Utrecht.