Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
- NL22.18586 (beroep);
- NL22.6116 (voorlopige voorziening I);
- NL22.18587 (voorlopige voorziening II).
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende man geboren in 1982, verzocht om een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'medische behandeling' zonder machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De aanvraag werd op 4 april 2022 afgewezen door verweerder, waarna ook het bezwaar op 6 september 2022 ongegrond werd verklaard. Eiser stelde beroep in en verzocht om twee voorlopige voorzieningen.
De rechtbank behandelde het beroep op 7 juni 2023, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De kern van het geschil betrof de medische situatie van eiser, die na een ernstig ongeval in 2021 medische behandeling in Nederland wenst voort te zetten. Het BMA-advies van 22 maart 2023 concludeerde dat eiser medisch gezien kan reizen en dat bij uitzetting geen medische noodsituatie ontstaat.
De rechtbank overwoog dat het BMA-advies een deskundigenadvies is waarop verweerder mag vertrouwen, tenzij eiser met concrete tegenbewijs komt. Eiser slaagde er niet in twijfel aan de juistheid of zorgvuldigheid van het advies te wekken. Ook het ontbreken van de onderliggende stukken bij het BMA-advies werd niet als schending van het zorgvuldigheidsbeginsel gezien.
Verder oordeelde de rechtbank dat het belang van eiser bij voortzetting van behandelingen in Nederland adequaat is meegewogen in het BMA-advies. Het verzoek om af te zien van uitzetting wegens betrokkenheid bij de beroepsprocedure en strafrechtelijk onderzoek werd eveneens verworpen, aangezien contact op afstand mogelijk is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de verzoeken om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van de vereiste connexiteit. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning medische behandeling wordt ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.