ECLI:NL:RBDHA:2023:9938
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- A.M.H. van der Poort - Schoenmakers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsdocument op grond van het Terugtrekkingsakkoord Brexit wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Eiseres, een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk, had tussen 15 maart 2018 en 1 augustus 2019 rechtmatig verblijf als economisch niet-actief burger van de Unie in Nederland. Bij besluit van 30 maart 2021 is vastgesteld dat haar rechtmatig verblijf als Unieburger is geëindigd, wat later door de rechtbank Amsterdam op 9 maart 2022 in rechte is bevestigd.
Eiseres verzocht om voortgezet verblijf op grond van artikel 18 en Pro 19 van het Terugtrekkingsakkoord Brexit, maar verweerder weigerde dit omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). De rechtbank oordeelde dat eiseres na beëindiging van haar verblijfsrecht als Unieburger per 1 januari 2021 niet meer als rechtmatig verblijvende derdelander kan worden aangemerkt en daarom geen aanspraak kan maken op voortgezet verblijf.
Verder stelde eiseres dat zij als werkzoekende rechtmatig verblijf zou moeten hebben en dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank verwierp deze stellingen en concludeerde dat verweerder terecht heeft afgezien van het horen in bezwaar omdat het bezwaar geen ander besluit kon opleveren.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van een verblijfsdocument op grond van het Terugtrekkingsakkoord wordt ongegrond verklaard.