Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Ambtshalve toetsing
Conclusie
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Myanmarese nationaliteit, werd op 15 april 2024 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring werd opgeheven op 14 mei 2024 door uitzetting naar Pakistan. Eiser voerde aan dat hij rechtmatig verblijf had vanwege een lopende asielprocedure en dat de uitzetting onrechtmatig was verlopen, onder meer omdat hij met een vals paspoort werd uitgezet.
De rechtbank oordeelde dat de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk was verklaard, waardoor hij niet langer rechtmatig in Nederland verbleef. De staatssecretaris mocht hem daarom in bewaring stellen en uitzetten. De rechtbank stelde vast dat de rechtsmiddelen tegen het besluit geen schorsende werking hadden, zodat eiser de uitzetting niet mocht afwachten.
Verder werd overwogen dat de feitelijke uitzetting niet ter toetsing lag in deze procedure en dat eiser dit in een aparte schadeprocedure kan aanvechten. De gronden voor bewaring, waaronder risico op ontduiking en gebruik van valse documenten, werden niet betwist en voldoende geacht.
Het late opmaken van het formulier M113 na uitzetting was niet onrechtmatig. Ambtshalve toetsing leidde tot de conclusie dat de bewaring tot het moment van opheffing niet onrechtmatig was. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring en uitzetting wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.