Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de staatssecretaris heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen op grond van de Dublin-verordening, waarbij Kroatië als verantwoordelijke lidstaat wordt aangewezen.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld op 11 juni 2024, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de staatssecretaris en een tolk.
Gezien de uitspraak in de bodemzaak (zaaknummer NL24.20763) acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wijst het verzoek af. Wel veroordeelt de voorzieningenrechter de staatssecretaris in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 875,00 conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan op 27 juni 2024 en is onherroepelijk, aangezien tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.