De inspecteur van de Belastingdienst legde aan de partner van eiseres een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2013 op, waarbij een optiepremievoordeel als inkomen uit aanmerkelijk belang werd meegenomen. Op grond van de Wet IB 2001 werd 50% van dit voordeel toegerekend aan eiseres en werd ook aan haar een navorderingsaanslag opgelegd.
Eiseres verzocht later het optiepremievoordeel volledig aan de partner toe te rekenen, maar de Belastingdienst wees dit af omdat een gezamenlijk verzoek ontbrak. De rechtbank oordeelde dat de navorderingsaanslagen aan de partner onterecht waren opgelegd en vernietigde deze. Gevolgtrekkend werd ook de aanslag aan eiseres en de rentebeschikking vernietigd.
De rechtbank veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten aan eiseres, waarbij de kosten werden verdeeld over de samenhangende zaken van eiseres en haar partner. Het beroep werd gegrond verklaard en de navorderingsaanslagen en rentebeschikking vernietigd.