ECLI:NL:RBDHA:2024:10177
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.S. Gaastra
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak
In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd op 26 april 2024 op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had deze maatregel reeds eerder getoetst bij uitspraak van 14 mei 2024 en richt zich nu op de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel sinds het sluiten van het onderzoek op 7 mei 2024.
Eiser stelt dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld tijdens de inbewaringstelling, onder meer omdat er geen presentatie in persoon is gepland en er een periode van drie weken stilstand was in rappelleren. De rechtbank oordeelt echter dat de staatssecretaris op 1 en 30 mei 2024 vertrekgesprekken heeft gevoerd, wat volgens vaste rechtspraak als een uitzettingshandeling geldt. Gezien de korte duur van de inbewaringstelling en de niet meewerkende houding van eiser is de staatssecretaris niet verplicht meer te doen.
Daarnaast voert de staatssecretaris aan dat er wel degelijk zicht is op uitzetting naar Algerije, ondanks dat nog geen presentatie in persoon heeft plaatsgevonden. De rechtbank sluit zich hierbij aan en stelt dat het ontbreken van een geplande presentatie niet betekent dat zicht op uitzetting ontbreekt. Er zijn geen aanwijzingen dat geen laissez-passer zal worden verstrekt.
De rechtbank concludeert dat het voortduren van de maatregel rechtmatig is en wijst het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.