ECLI:NL:RBDHA:2024:10227
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familierechtelijke relatie en twijfel terugkeer
Eiser diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf, welke door de minister werd afgewezen omdat eiser het doel en de omstandigheden van het verblijf niet aannemelijk had gemaakt. De minister stelde dat eiser zijn familierechtelijke relatie met de referent onvoldoende had onderbouwd en dat er redelijke twijfel bestond over zijn voornemen om Nederland tijdig te verlaten.
Eiser maakte bezwaar en stelde dat hij in de bezwaarfase had moeten worden gehoord, omdat de motivering van het primaire besluit summier was. De rechtbank oordeelde echter dat de minister terecht van horen in bezwaar mocht afzien, omdat de bezwaren niet konden leiden tot een ander besluit en eiser geen nieuwe concrete informatie had aangevoerd.
De rechtbank concludeerde dat de door eiser overgelegde documenten onvoldoende waren om de familierechtelijke relatie aan te tonen en dat het ontbreken van een vliegreisreservering en de lange duur van de reisverzekering de twijfel over het verblijfsdoel versterkten. De afwijzing van de aanvraag was daarmee terecht en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.