Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
gemachtigde: mr. M.J.S. Spanjersberg,
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een geschil tussen twee voormalige gezamenlijke huurders van een woonruimte, die een affectieve relatie hadden en samen een huurovereenkomst sloten. Na beëindiging van hun relatie vertrok één huurder duurzaam uit de woning in februari 2021. Beide partijen dienden een gezamenlijk verzoek in om de huurovereenkomst voor de vertrekkende huurder te beëindigen en voort te zetten voor de achterblijvende huurder.
De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro en de relevante rechtspraak de huurovereenkomst kan worden beëindigd voor de vertrekkende huurder en voortgezet voor de achterblijvende huurder, met werking tegenover de verhuurder. De kantonrechter sluit aan bij de procedurele vereisten en wijst het verzoek toe omdat de vertrekkende huurder instemt met de beëindiging.
De uitspraak bepaalt dat de huurovereenkomst voor de vertrekkende huurder per 1 maart 2021 eindigt en dat het huurrecht exclusief aan de achterblijvende huurder toekomt, met werking tegenover de verhuurder. Eventuele overige vorderingen worden afgewezen.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt per 1 maart 2021 beëindigd voor de vertrekkende huurder en voortgezet voor de achterblijvende huurder met werking tegenover de verhuurder.