Eiser heeft op 20 december 2022 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. Verweerder ontving de aanvraag op 28 december 2022 en diende binnen 90 dagen te beslissen, met een mogelijke verlenging van drie maanden. Verweerder heeft echter nog geen besluit genomen, ondanks ingebrekestelling op 1 augustus 2023 en het verstrijken van de beslistermijn.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond is en wijst het verzoek van verweerder tot aanhouding af, omdat dit de prikkel tot voortvarendheid zou wegnemen. De rechtbank legt een beslistermijn van acht weken op, met een mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek, en stelt een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 7.500 in.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser, inclusief het griffierecht en een bedrag van € 437,50 wegens inschakeling van juridische hulp. De uitspraak is gedaan zonder zitting, na overleg met partijen, en is openbaar bekendgemaakt op 27 juni 2024.