ECLI:NL:RBDHA:2024:10274

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2024
Publicatiedatum
4 juli 2024
Zaaknummer
NL23.25967
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke zaak vreemdelingenrecht

Verzoeker diende op 31 augustus 2023 een verzoek om voorlopige voorziening en een beroep in tegen een besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Vervolgens trok verzoeker zowel het beroep als het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om een proceskostenveroordeling tegen verweerder.

De voorzieningenrechter overweegt dat op het moment van indiening van het beroep en de voorlopige voorziening er nog geen besluit van verweerder was genomen waartegen beroep kon worden ingesteld. Dit volgt uit de toepasselijke bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Omdat het beroep en de voorlopige voorziening derhalve niet terecht waren ingesteld, bestaat er geen grond voor een proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat het beroep en de voorlopige voorziening niet terecht waren ingesteld.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.25967
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 31 augustus 2023 een verzoek om een voorlopige voorziening (zaaknummer NL23.25966) ingediend en beroep (zaaknummer NL23.25967) ingesteld. Hij heeft het beroep en het verzoek om de voorlopige voorziening nadien ingetrokken een vraagt nu om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verweerder heeft laten weten hiertoe geen aanleiding te zien.

Overwegingen

Partijen worden niet uitgenodigd voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1
Voor de vraag of verweerder de proceskosten van verzoeker moet betalen, is van belang of hij het beroep en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening terecht heeft ingesteld. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Op het moment dat verzoeker zijn beroep en verzoek had ingediend, had verweerder (nog) geen besluit genomen. Dit betekent er geen sprake was van een besluit waartegen op dat moment beroep kon worden ingesteld.2
4. Omdat er (nog) geen beroep kon worden ingesteld bij de bestuursrechter, was het op het moment van indienen ook niet mogelijk om een verzoek om een voorlopige voorziening te doen met als doel het opschorten van de werking van het besluit.3
5. Eén en ander leidt ertoe dat er voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding is.
1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
2 Artikel 1:3 en Pro artikel 8:1 van Pro de Awb.
3 Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Kampschuur, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 april 2024

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.