Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor langdurig ingezeten derdelander. Tijdens de procedure heeft verweerder alsnog een besluit genomen op de aanvraag, waardoor het oorspronkelijke doel van het beroep is komen te vervallen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep hierdoor niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep. De rechtbank doet geen inhoudelijke uitspraak over de aanvraag zelf.
Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten van € 437,50 en het betaalde griffierecht van € 187,-. De rechtbank ziet af van het houden van een zitting omdat dit niet noodzakelijk is.
Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.