Eiseres, met Poolse nationaliteit, werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar in Polen, waarvan de tenuitvoerlegging later werd gelast. Na een beslissing van de Internationale Rechtshulpkamer werd haar straf in Nederland ten uitvoer gelegd. Eiseres verzocht de minister om toepassing van de afwijkingsbevoegdheid voor vervroegde voorwaardelijke invrijheidstelling, die werd afgewezen omdat ten tijde van de strafovername niet zeker was of en wanneer zij in Polen voorwaardelijk vrij zou komen.
Eiseres diende vervolgens een gratieverzoek in, maar de minister weigerde haar detentie op te schorten in afwachting van de beslissing. De voorzieningenrechter oordeelde dat deze weigering onrechtmatig was, omdat het hoogstwaarschijnlijk is dat het gratieverzoek zal worden toegewezen en dat eiseres in Polen reeds voorwaardelijk vrij zou zijn geweest. Tevens speelde mee dat eiseres ten onrechte een onjuiste einddatum van haar detentie was voorgehouden.
De rechtbank veroordeelde de Staat der Nederlanden tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van eiseres totdat op haar gratieverzoek is beslist en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.