AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Armenië wegens onvoldoende medische gronden
Verzoekster, een Armeense vrouw, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder om haar uit te zetten naar Armenië op 31 mei 2024. Zij heeft een aanvraag ingediend voor toepassing van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000, gebaseerd op haar medische situatie. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat uit het medisch advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) blijkt dat de medische zorg in Armenië adequaat is en dat verzoekster in staat is te reizen.
De uitzetting op 31 mei 2024 is mislukt doordat verzoekster weigerde een korte afstand te lopen tot aan haar passagiersstoel in het vliegtuig. Een nieuwe uitzetting is gepland op 22 juni 2024. Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen zolang het bezwaar niet is beslist, onder verwijzing naar gewijzigde medische omstandigheden, waaronder nieuwe medicatie en vermeende cognitieve achteruitgang.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster geen wezenlijk nieuwe medische informatie heeft overgelegd die afwijkt van eerdere adviezen van het BMA. De aanvullende nota van het BMA bevestigt dat de medicatie beschikbaar is in Armenië en dat haar nierfunctie is gestabiliseerd. De stellingen over cognitieve achteruitgang en persoonlijkheidsproblematiek zijn onvoldoende onderbouwd met medische stukken.
Verweerder heeft bovendien toegelicht dat de uitzetting zorgvuldig is voorbereid, met medische en Koninklijke Marechaussee-escorts en voorzieningen voor rolstoelgebruik. De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Armenië wordt afgewezen wegens onvoldoende medische onderbouwing.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/10262
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: L. Verhaegh).
Inleiding
1. In het besluit van 31 mei 2024 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om toepassing van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
1.1
Verweerder heeft aan verzoekster meegedeeld dat zij op 22 juni 2024 zal worden uitgezet naar Armenië.
1.2
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter op 20 juni 2024 verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat zij niet wordt uitgezet zolang nog niet op het bezwaar is beslist.
1.3
Verweerder heeft op 20 juni 2024 gereageerd op het verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft op 21 juni 2024 een reactie gegeven op het standpunt van verweerder. Verweerder heeft op 21 juni 2024 nadere medische stukken ingebracht.
1.4
Omdat onverwijlde spoed dat vereist, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting [1] .
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoekster heeft de Armeense nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1950.
Waarover gaat deze uitspraak?
3. De voorzieningenrechter beoordeelt of het verzoek om een voorlopige voorziening voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Zij wijst het verzoek af. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wat betrekt de voorzieningenrechter in haar beoordeling?
4. Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft op 25 oktober 2021 advies uitgebracht, aangevuld op 23 februari 2022 en 15 maart 2023. In de adviezen is aangegeven dat behandeling van de medische klachten van verzoekster in Armenië mogelijk is, dat verzoekster in staat is om te reizen en dat vormen van professionele zorg aan huis aanwezig zijn.
4.1
Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 juli 2023 [2] staat de afwijzing van de aanvraag van verzoekster van 29 mei 2019 om toepassing van artikel 64 vanPro de Vw in rechte vast.
4.2
Verweerder heeft verzoekster meegedeeld dat zij op 31 mei 2024 zal worden uitgezet naar Armenië.
4.3
Op 30 mei 2024 dient verzoekster opnieuw een aanvraag in om toepassing van artikel 64 vanPro de Vw. Tegen de mededeling van verweerder dat hij voornemens is verzoekster op 31 mei 2024 uit te zetten naar Armenië heeft verzoekster bezwaar gemaakt en heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. In de uitspraak van 31 mei 2024 [3] heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, het verzoek afgewezen omdat verzoekster onvoldoende heeft onderbouwd dat de situatie ten tijde van de uitzetting zodanig verschilt van de situatie ten tijde van het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit dat de voorgenomen uitzetting achterwege moet blijven.
4.4
Op 31 mei 2024 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de fictieve weigering om een besluit te nemen op haar aanvraag van 30 mei 2024 om toepassing van artikel 64 vanPro de Vw en heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In de uitspraak van 31 mei 2024 [4] heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, het verzoek afgewezen omdat het bezwaar van verzoekster tegen de fictieve weigering om een besluit te nemen geen kans van slagen heeft.
4.5
In de brief van verweerder van 11 juni 2024 is vermeld dat de uitzetting van verzoekster op 31 mei 2024 is mislukt omdat zij heeft geweigerd om op Schiphol het vliegtuig binnen te lopen. Dit betrof een klein stukje tot waar de rolstoel maximaal in de ‘slurf’ kan tot aan haar passagiersstoel. Er was alleen medische escort aanwezig en geen escort van de Koninklijke Marechaussee (KMar). Bij het niet opstaan uit een rolstoel die niet verder het vliegtuig in geduwd kan worden heeft de medische escort geen bevoegdheid om hier maatregelen tegen te nemen zoals escorts van de KMar die wel hebben. Om deze reden zijn de voor de volgende vlucht zowel medische escorts als escorts van de KMar verzocht ter voorkoming van dezelfde vorm van verzetpleging.
4.6
Op 21 juni 2024 heeft het BMA een aanvullende nota uitgebracht.
Wat is het standpunt van verzoekster?
4. Verzoekster voert aan dat haar medische situatie sinds het laatste BMA-advies van 25 oktober 2021 sterk is gewijzigd. Zij gebruikt nieuwe medicatie: Novorapid, Abasaglar, Allupruinoal, Casartan, Nitroglycerine pleister, Quetiapine en Setraline. Ook is haar cognitieve toestand sinds het laatste BMA-advies verslechterd. Er kan niet van worden uitgegaan dat verzoekster in Armenië zelf haar behandeling regelt. Ze is niet in staat haar eigen medicatie op juiste wijze in te nemen en haar ADL-zelfstandigheid is onvoldoende. Verzoekster legt een e-mail over van 30 mei 2024 van [naam 1] , COa-art GZA Ter Apel, waarin is verklaard dat het medisch onverantwoord is verzoekster in de huidige conditie terug te sturen naar haar land van herkomst. Verzoekster heeft zich eerder tot de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) gewend om terug te keren, maar ook IOM vond terugkeer niet verantwoord en heeft haar daarom niet kunnen helpen. Verder heeft verzoekster een e-mail van [naam 2] , kinderarts is Justitieel Centrum voor Somatische Zorg (JCvSZ) te Scheveningen overgelegd waarin is vermeld dat de nierfunctie van verzoekster achteruit is gegaan, mogelijk door verminderde vochtintake of op basis van medicatiegebruik. Omdat haar medische situatie erg is verslechterd, is het noodzakelijk dat het BMA haar medische situatie nader onderzoekt en beoordeeld wordt of zij in Armenië kan worden behandeld en of zij in staat is om te reizen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster geen wezenlijk andere medische informatie heeft overgelegd dan tot nu toe bekend is en waarover het BMA eerder advies heeft uitgebracht. Verweerder heeft bij het BMA nagevraagd of de nieuwe medicatie die verzoekster gebruikt in Armenië beschikbaar is. Uit de aanvullende BMA-nota van 21 juni 2024 blijkt dat dit het geval is; deze medicatie, of een gelijkwaardig alternatief, is in Armenië aanwezig. De e-mail van de GZA-arts [naam 1] van 30 mei 2024 brengt de voorzieningenrechter niet tot het oordeel dat niet langer van de eerdere BMA-adviezen kan worden uitgegaan. De voorzieningenrechter sluit zich aan bij het oordeel van de voorzieningenrechter uit de uitspraak van 31 mei 2024, dat dit enkel een stelling van de COA-arts is en dat deze stelling niet met medische informatie is onderbouwd. Ook het bericht van 29 april 2024 van GZA-arts [naam 1] en [naam 3] , huisarts GZA geeft geen aanleiding voor een andere conclusie. Dit bericht is meegenomen in de aanvullende BMA-nota van 21 juni 2024 en daarin heeft het BMA geen aanleiding gezien om van zijn eerdere advies af te wijken. Voorts heeft verzoekster een brief van 1 mei 2024 van GZA-arts [naam 1] en [naam 4] , GZA-huisarts overgelegd waarin is vermeld dat er aanwijzingen zijn dat bij verzoekster sprake is van cognitieve achteruitgang, persoonlijkheidsproblematiek en een depressie. Ook hier ontbreken nadere medische stukken op grond waarvan de artsen tot deze conclusie zijn gekomen en geven daarom de voorzieningenrechter geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Verder heeft verweerder een e-mail van [naam 2] van JCvSZ van 21 juni 2024 overlegd waarin is aangegeven dat de nierfunctie van verzoekster weer is gestabiliseerd en duidelijk is verbeterd. Ook is vermeld dat geen sprake is van blijvende schade en dat vanuit medisch perspectief er geen reden is om verzoekster niet uit te zetten. Aldus blijkt uit de ingebrachte medische informatie niet dat sprake is van een wezenlijk verschil met de eerdere medische situatie.
5.1
Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat IOM de uitzetting van verzoekster niet verantwoord achtte en haar om die reden niet verder heeft kunnen helpen, heeft verweerder opgemerkt dat uit de overgelegde stukken blijkt dat IOM de terugkeer niet op verantwoorde wijze kan regelen. Verweerder heeft in zijn bericht van 20 juni 2024 toegelicht dat de uitzetting van verzoekster die op 22 juni 2024 gepland staat met grote zorgvuldigheid is omkleed: - Voorafgaand aan haar vertrek wordt verzoekster Fit-to-fly gekeurd;
- In het belang van haar welzijn wordt verzoekster niet overgeplaatst naar Detentiecentrum Zeist maar zal zij tot aan haar vertrek in het JCvSZ te Scheveningen verblijven;
- Verzoekster vertrekt onder begeleiding van drie escorts van de Koninklijke Marechaussee en één medisch escort;
- Ten behoeve van vertrek is zowel rolstoelservice als highloader bijgeboekt zodat verzoekster ook daadwerkelijk het vliegtuig kan betreden;
- Verzoekster wordt voorzien van de noodzakelijke medicatie tijdens de reis en tot twee weken na vertrek.
5.2
Dit alles brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft. Zij wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
6.1
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
1.Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).