Verzoeker, een alleenstaande minderjarige vreemdeling van Ivoriaanse nationaliteit, diende op 9 november 2020 een reguliere verblijfsaanvraag in. Deze aanvraag werd bij besluit van 19 maart 2021 afgewezen door de minister van Asiel en Migratie. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar het bezwaar werd bij besluit van 11 maart 2024 eveneens afgewezen.
Tegen dit besluit stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag. Op 19 juni 2024 vond de zitting plaats waarbij zowel verzoeker als de gemachtigden van beide partijen aanwezig waren. De rechtbank heeft in een samenhangende uitspraak (zaaknummer NL24.15043) het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.
Gezien deze uitspraak achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wees het verzoek daarom af. Wel veroordeelde de voorzieningenrechter verweerder tot betaling van de door verzoeker gemaakte proceskosten van € 875,-, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.