Betrokkene, een bedrijf dat deelscooters verhuurt, kreeg een bestuurlijke boete van €90 wegens het parkeren van een bromfiets op een wijze die overlast veroorzaakte. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees het bezwaar af, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kern van het geschil was wie als overtreder in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt: de kentekenhouder (betrokkene) of de huurder van de deelscooter. De kantonrechter volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die stelt dat de overtreder primair degene is die de overtreding fysiek pleegt.
De kantonrechter oordeelde dat betrokkene geen beschikkingsmacht meer had over de scooter nadat deze door een huurder in gebruik was genomen. Betrokkene had bovendien maatregelen getroffen om overtredingen te voorkomen, zoals instructies in de app en een creditsysteem. Daarom kon de boete niet aan betrokkene worden opgelegd.
Het bestreden besluit werd vernietigd en het primaire besluit herroepen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan betrokkene.