Uitspraak
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
,
Rechtbank Den Haag
Verzoekster heeft een aanvraag voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015 ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, die is afgewezen. Zij maakte bezwaar en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster een spoedeisend belang heeft omdat de tijdelijke opvang in een hotel na de zitting niet gegarandeerd kon worden. Hoewel het college meent dat verzoekster voldoende zelfredzaam is en dat de belangen van haar minderjarige zoon zijn meegewogen, blijkt uit het besluit dat het onderzoek naar de belangen van het kind onvoldoende concreet en de motivatie gebrekkig is.
De rechter benadrukt dat het belang van het kind verder gaat dan alleen opvang en ook veiligheid, ontwikkeling, gezondheid en zorg omvat. Ook is het niet acceptabel dat de zoon niet naar school gaat gezien zijn ontwikkeling en leerplicht.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en moet het college verzoekster en haar zoon tot zes weken na de beslissing op bezwaar toelaten tot maatschappelijke opvang. Het college moet tevens het griffierecht vergoeden. Het college wordt opgedragen om in de bezwaarprocedure de belangen van het kind nader te onderzoeken en mee te wegen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het college moet verzoekster en haar minderjarige zoon tijdelijk toelaten tot maatschappelijke opvang.