ECLI:NL:RBDHA:2024:10576
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning familie- of gezinslid met terugwerkende kracht niet onrechtmatig
Eiser, houder van een verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid, kreeg deze vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken per 20 april 2023 omdat de relatie waarop de vergunning was gebaseerd was verbroken.
Eiser voerde aan dat de intrekking onterecht was omdat verweerder onvoldoende had getoetst aan artikel 8 EVRM Pro en het evenredigheidsbeginsel, en dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde dat verweerder wel degelijk ambtshalve had getoetst aan artikel 8 EVRM Pro en dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat hij een privéleven had opgebouwd dat door de intrekking werd geschaad.
Ook was er geen sprake van een schending van de hoorplicht omdat op voorhand duidelijk was dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van connexiteit.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.