Eiser, een minderjarige van Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van zijn homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen in Marokko. Hij stelde mishandeld te zijn na betrapt te zijn met een vriend en vervolgens vier maanden op straat te hebben geleefd. De staatssecretaris wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, stellende dat Marokko een veilig land van herkomst is en dat eisers verhaal ongeloofwaardig was.
De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 9 januari 2024. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris voldoende rekening had gehouden met het referentiekader en de culturele achtergrond van eiser, en dat het gehoor zorgvuldig was afgenomen met aanwezigheid van een voogd en een vrouwelijke tolk. Echter, eiser slaagde er niet in zijn homoseksuele gerichtheid geloofwaardig te maken, omdat hij summier en vaag bleef over zijn gevoelens, relaties en vluchtpogingen.
De rechtbank vond dat de staatssecretaris terecht had meegewogen dat eiser geen contact had gezocht met zijn vriend na het incident en dat zijn verklaringen over zijn huidige relatie onvoldoende waren onderbouwd. Ook achtte de rechtbank de acute vluchtsituatie ongeloofwaardig gezien het verblijf van eiser in Casablanca en de timing van zijn vluchtpogingen. Gezien deze overwegingen werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.