ECLI:NL:RBDHA:2024:1071
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij beëindiging Ziektewetuitkering
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om haar Ziektewetuitkering per 3 oktober 2023 te beëindigen omdat zij arbeidsgeschikt wordt geacht. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, omdat haar bezwaar niet binnen de wettelijke termijn kon worden behandeld.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld en geoordeeld dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Verzoekster stelde dat zij schulden kan krijgen vanwege haar huwelijkse voorwaarden, maar heeft deze niet overgelegd en onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft zij een partner met inkomen en bezit zij een eigen woning, waardoor acute financiële nood niet aannemelijk is.
Daarom is het verzoek kennelijk ongegrond en is de voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak is gedaan op 12 januari 2024 en bindt niet in een eventueel bodemgeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.