Op 15 april 2024 stond een woningontruiming gepland voor de heer en mevrouw die de woning huren van de heren verhuurders. De huurders vroegen een voorlopige voorziening ex artikel 287b lid 1 Faillissementswet om de ontruiming voor zes maanden te verbieden, zodat zij het minnelijk schuldhulpverleningstraject kunnen afronden.
De rechtbank constateerde dat sprake is van een bedreigende situatie en dat de huurders zich op 9 april 2024 bij de gemeentelijke schuldhulpverlening hebben gemeld. Budgetbeheer is gestart en de lopende huurtermijnen voor mei, juni en juli 2024 zijn gegarandeerd betaald. De schuldenlast bedraagt ruim €76.000, waarvan een deel aan de verhuurders en belastingdienst.
De verhuurders stelden misbruik van recht en niet-serieuze schuldhulpverlening, maar de rechtbank oordeelde dat het traject serieus is en dat de belangen van de huurders zwaarder wegen dan die van verhuurders. De voorziening wordt daarom toegewezen, met als voorwaarde dat de lopende huur wordt voldaan en de voorziening geldt tot de WSNP-uitspraak in kracht van gewijsde is of het verzoek wordt ingetrokken.
De rechtbank wijst tevens op het nog lopende WSNP-verzoek dat pas wordt behandeld na afronding van het minnelijk traject. Deze beschikking biedt de huurders de noodzakelijke adempauze om hun schulden op orde te krijgen en hun woonruimte te behouden.