ECLI:NL:RBDHA:2024:10823
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning te Den Haag
Verweerder stelde bij beschikking van 28 februari 2022 de WOZ-waarde van de woning op €2.092.000 vast, welke waarde tevens leidde tot aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing voor 2022. Eiser maakte bezwaar tegen deze beschikking, dat bij uitspraak op bezwaar ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank voerde een zitting op 26 oktober 2023, waar partijen hun standpunten toelichtten. Verweerder onderbouwde de vastgestelde waarde met een taxatieverslag, een waardematrix en iWOZ-rapporten, waarbij de waarde was bepaald via systematische vergelijking met vergelijkbare woningen. De rechtbank achtte de vergelijkingsobjecten en toegepaste methodiek voldoende betrouwbaar en aannemelijk.
Eiser voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met de ligging nabij een school, speeltuin en doorgaande weg, alsmede met het afnemend grensnut en de verschillen in oppervlaktes tussen de woning en vergelijkingsobjecten. Ook stelde eiser dat verweerder onvoldoende inzicht had gegeven in de waardering van objectonderdelen en gebruikte vergelijkingsobjecten. De rechtbank volgde deze argumenten niet, mede omdat verweerder deze punten weersprak en de vergelijkingsobjecten van eiser minder relevant waren.
De rechtbank concludeerde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Tevens was voldaan aan de informatieplicht omtrent KOUDV+L-factoren en indexatiecijfers. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €2.092.000 wordt ongegrond verklaard.