ECLI:NL:RBDHA:2024:10828
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na gegrondverklaring beroep
Verzoeker heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 13 juni 2024 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 4 juli 2024, waarbij verzoeker niet aanwezig was vanwege verhindering. De rechtbank heeft op dezelfde dag in de hoofdzaak (zaaknummer NL24.25219) het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.
Gezien deze uitkomst is een voorlopige voorziening niet langer nodig en wordt het verzoek afgewezen. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister tot betaling van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 875,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter D.M. Schuiling en griffier M.C. Drenten-Boon en is definitief, tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van € 875,- aan proceskosten.