ECLI:NL:RBDHA:2024:10853

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juli 2024
Publicatiedatum
12 juli 2024
Zaaknummer
NL24.26668
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw 2000Art. 8:57 AwbArt. 96 lid 1 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder uitzicht op uitzetting

De rechtbank Den Haag heeft op 12 juli 2024 het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beoordeeld. Deze maatregel was opgelegd op 24 juni 2024 en werd reeds eerder getoetst bij uitspraak van 22 april 2024, waarbij zij rechtmatig werd bevonden tot het sluiten van het onderzoek op 16 april 2024. De rechtbank beoordeelde nu uitsluitend de rechtmatigheid van de voortzetting van de maatregel na die datum.

Eiser stelde dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering was, omdat geen laissez-passer was afgegeven, en dat de minister een lichter middel had moeten toepassen vanwege de ernstige ziekte van zijn vader. De rechtbank vond deze gronden niet overtuigend. Uit het voortgangsrapport bleek dat meerdere rappelleringen en vertrekgesprekken hadden plaatsgevonden, wat duidt op voldoende voortvarendheid van de minister. De bewering over de ziekte van de vader werd niet met medische stukken onderbouwd.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig voortduurt en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26668

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze maatregel is opgelegd op 24 juni 2024 en duurt nog voort.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op 28 juni 2024 laten weten dat 75 dagen zijn verstreken zonder dat door of namens eiser beroep is ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarom heeft de minister verzocht om te beoordelen of de bewaring kan voortduren (de kennisgeving). Daarbij heeft de minister een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft op die voortgangsrapportage gereageerd en heeft daarbij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 22 april 2024. [1]
1.3.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 16 april 2024 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [3]
2.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 april 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 16 april 2024) rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
3. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, omdat er tot op heden geen laissez-passer is afgegeven en dit een indicatie is dat de afgifte uitblijft of onredelijk lang gaat duren.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. De reden hiervoor is dat uit het voortgangsrapport blijkt dat nog 4 keer gerappelleerd is sinds het sluiten van het onderzoek op 16 april 2024, namelijk op 16 april 2024, 7 en 28 mei 2024 en op 18 juni 2024. Daarnaast zijn er nog 3 vertrekgesprekken met eiser gevoerd op 1 mei 2024, 30 mei 2024 en 20 juni 2024. Dit is voldoende voor de conclusie dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat eisers vader ernstig ziek is. Eiser kan terecht bij zijn ouders die in Nederland wonen in afwachting van de afgifte van een laissez-passer. Eiser is bereid zich te houden aan meldplicht en hij is bereikbaar voor de minister.
4.1.
Voor de beroepsgrond over het opleggen van een lichter middel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 22 april 2024, overweging 3.1. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Hier komt bij dat de stelling dat eisers vader ernstig ziek is niet met medische documenten is onderbouwd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eisers verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregelen niet is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 22 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5827.
2.Dit is mogelijk op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
4.Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.