ECLI:NL:RBDHA:2024:10953
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Hanssen - Telman
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning mensenhandel na sepot OM is rechtmatig
Eiser, een Sierra Leoonse nationaliteit hebbende vreemdeling, kreeg een verblijfsvergunning toegekend op grond van de Verblijfsregeling Mensenhandel na zijn aangifte van mensenhandel op 9 februari 2023. Het Openbaar Ministerie besloot de zaak op 28 maart 2023 voortijdig te beëindigen (sepot), waarna de minister de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht vanaf die datum introk.
Eiser stelde dat de minister niet zomaar mocht volstaan met de sepotbeslissing van het OM en zelf had moeten beoordelen of hij slachtoffer was van mensenhandel. De rechtbank oordeelde dat de verblijfsvergunning alleen verleend kan worden zolang er een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek loopt, en dat de minister op grond van het beleid en de wet terecht de vergunning introk na het sepot.
Verder voerde eiser aan dat hem geen bedenktijd was geboden om zijn aangifte te doen en dat hij onvoldoende gelegenheid had gehad om met hulpverleners te spreken. De rechtbank stelde dat het aanbieden van bedenktijd een bevoegdheid is van de AVIM en de Koninklijke Marechaussee en niet van de minister. Er was geen bewijs dat eiser geen toegang had gehad tot opvang, medische zorg of rechtsbijstand.
De rechtbank concludeerde dat het beleid van de minister niet onredelijk is en niet in strijd met de relevante Europese richtlijnen. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiser kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning.