ECLI:NL:RBDHA:2024:11215
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging in Gambia
Eiser, van Gambiaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege vrees voor vervolging door zijn vader na een religieus conflict binnen zijn familie. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag op 17 april 2024 af als ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 juli 2024.
Eiser stelde dat zijn familie was bekeerd tot de islam en hij als christen daardoor bedreigd werd door zijn vader. De rechtbank oordeelde dat de problemen niet zwaarwegend genoeg waren voor internationale bescherming. Eiser had meerdere malen het ouderlijk huis bezocht ondanks zijn vrees, wat de geloofwaardigheid van zijn angst ondermijnde. Tevens was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Gambiaanse autoriteiten geen bescherming zouden bieden, ondanks verwijzingen naar mensenrechtenschendingen in rapporten van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken.
De rechtbank vond ook dat eiser zich elders in Gambia zou kunnen vestigen om conflicten te vermijden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen wegens gebrek aan connexiteit. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.