ECLI:NL:RBDHA:2024:11369

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2024
Publicatiedatum
22 juli 2024
Zaaknummer
NL24.396
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking beroep asielaanvraag

Verzoeker diende op 18 augustus 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het niet tijdig beslissen op deze aanvraag stelde verzoeker de minister bij brief van 18 december 2023 in gebreke en stelde vervolgens op 4 januari 2024 beroep in tegen het uitblijven van een besluit.

De minister heeft op 5 juni 2024 de aanvraag alsnog ingewilligd, waarna verzoeker het beroep introk en de rechtbank verzocht de minister te veroordelen tot betaling van proceskosten. De rechtbank oordeelde dat het beroep niet ontvankelijk was omdat de ingebrekestelling prematuur was ingediend, aangezien de beslistermijn pas op 24 mei 2023 was aangevangen na vaststelling van de verantwoordelijkheid van Italië volgens de Dublinverordening.

Omdat geen sprake was van ontvankelijkheid en de minister niet geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoet was gekomen in de zin van de Awb, wees de rechtbank het verzoek tot proceskostenveroordeling als kennelijk ongegrond af.

Uitkomst: Het verzoek tot proceskostenveroordeling wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.396

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , verzoeker,

geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 18 augustus 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend bij de minister.
Bij brief van 18 december 2023 heeft verzoeker de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Verzoeker heeft vervolgens op 4 januari 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Op 5 juni 2024 heeft de minister de aanvraag van verzoeker ingewilligd. Verzoeker heeft vervolgens het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht de minister te veroordelen tot de proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
4. Verzoeker heeft zijn asielaanvraag ingediend op 18 augustus 2022. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden. Op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vw vangt de termijn voor de behandeling van de asielaanvraag aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.
5. Bij brief van 22 september 2022 heeft Nederland de autoriteiten van Italië verzocht om verzoeker over te nemen op grond van de Dublinverordening. Sinds 23 november 2022 staat de verantwoordelijkheid van Italië vast. De uiterste overdrachtstermijn is verstreken op 23 mei 2023. De beslistermijn is aangevangen op 24 mei 2023. Dat betekent dat de ingebrekestelling van 18 december 2023 prematuur is ingediend.
6. Nu er geen sprake is van een ontvankelijk beroep, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan verzoeker in de zin van artikel 8:75a van de Awb. De rechtbank wijst het verzoek af als kennelijk ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van F.Q. Peters, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.