Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres,
[naam]
Rechtbank Den Haag
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Bulgarije verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep op 10 januari 2024 behandeld en beoordeelt of het interstatelijk vertrouwensbeginsel wat betreft Bulgarije nog van toepassing is.
Eiseres stelde dat zij en haar minderjarige zoon in Bulgarije zijn gedetineerd zonder adequate rechtsbijstand en dat de opvangomstandigheden slecht zijn, waardoor het vertrouwensbeginsel niet langer kan gelden. De rechtbank oordeelt dat eiseres deze stellingen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Hoewel de opvangomstandigheden zorgwekkend zijn, blijft het vertrouwensbeginsel van toepassing omdat Bulgarije het terugnameverzoek heeft aanvaard en heeft toegezegd de asielaanvraag conform Europese richtlijnen te behandelen.
Daarnaast voerde eiseres aan dat de staatssecretaris op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de aanvraag aan zich had moeten trekken vanwege het belang van het kind en de gezinsband met de vader die in Nederland een asielvergunning heeft. De rechtbank stelt dat de staatssecretaris dit belang voldoende heeft meegewogen en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overdracht naar Bulgarije onevenredige hardheid oplevert.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de staatssecretaris de asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.