ECLI:NL:RBDHA:2024:11416
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding
Eiser is sinds februari 2024 in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat de bewaring tot 4 juni 2024 rechtmatig was, zodat de beoordeling zich richt op de periode daarna.
Eiser stelt dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije omdat zijn aanvraag voor een laissez-passer sinds maart 2024 onbeantwoord blijft en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, onder meer door vertrekgesprekken telefonisch te voeren. De rechtbank overweegt dat in algemene zin zicht op uitzetting naar Algerije binnen redelijke termijn bestaat, en dat het lp-traject bij de Algerijnse autoriteiten tijd kost, zeker zonder identiteitsdocumenten. Eiser heeft onvoldoende medewerking verleend en geen concrete aanwijzingen gegeven dat het lp-traject zal mislukken.
Verweerder heeft maandelijks vertrekgesprekken gepland en regelmatig rappelleringen gedaan bij de Algerijnse autoriteiten. Telefonische gesprekken worden als effectief beschouwd. De rechtbank acht het handelen van verweerder voldoende voortvarend. Ook het verzoek om toepassing van een lichter middel wordt afgewezen, omdat geen gewijzigde omstandigheden zijn die het risico op onttrekking aan toezicht doen afnemen en de bewaring nog binnen de eerste zes maanden valt.
De rechtbank concludeert dat het voortduren van de bewaring rechtmatig is en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter F.A. Groeneveld en griffier R. Yildiz en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.