ECLI:NL:RBDHA:2024:11438
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.A. Bouter - Rijksen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing gecombineerde vergunning verblijf en arbeid voor derdelander Oekraïne onder tijdelijke bescherming
Eiser, een derdelander uit Oekraïne die verblijfsrecht ontleent aan de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, diende een aanvraag in voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) met als doel arbeid in loondienst. De aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen op grond van artikel 3.31, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de dwingende afwijzingsgronden uit artikel 8 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), gebaseerd op negatieve arbeidsmarktadviezen van het UWV.
Eiser betwistte de afwijzing en stelde dat hij onder het prioriteitgenietend aanbod valt en daardoor vrij toegang heeft tot de arbeidsmarkt, waardoor geen vergunningplicht zou gelden. Tevens wees hij op tekorten in de horeca en de situatie dat hij al werkzaam was bij de referent voor de bedrijfsovername. De rechtbank oordeelde echter dat eiser niet onder het prioriteitgenietend aanbod valt zoals bedoeld in de Wav, omdat hij niet tot de daarvoor aangewezen categorieën behoort.
De rechtbank achtte het UWV-advies zorgvuldig en voldoende gemotiveerd, waarin werd vastgesteld dat er voldoende prioriteitgenietend aanbod is voor de functie die eiser vervulde. De verwijzingen van eiser naar tekorten en persberichten waren onvoldoende om het negatieve advies te weerleggen. Gezien de dwingende aard van de afwijzingsgronden was de aanvraag terecht afgewezen. De rechtbank vond ook dat de hoorplicht niet was geschonden, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een GVVA wordt terecht afgewezen wegens aanwezigheid van prioriteitgenietend aanbod.