Eiseres diende op 12 januari 2023 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De minister stelde bij ontvangstbevestiging een beslistermijn van zes maanden, maar heeft niet tijdig besloten. Eiseres stelde de minister op 29 november 2023 in gebreke en diende op 29 maart 2024 beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de wettelijke termijn van 90 dagen heeft beslist en dat de ingebrekestelling rechtsgeldig was. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de uitspraak alsnog een besluit moet nemen, rekening houdend met de zorgvuldigheid en de bekende achterstanden bij nareisprocedures.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding van de termijn, met een maximum van €7.500, en stelt de reeds verbeurde dwangsom van €1.442 vast. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiseres.