ECLI:NL:RBDHA:2024:1153

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2024
Publicatiedatum
5 februari 2024
Zaaknummer
NL23.36680
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 30 VwVreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker naar Oostenrijk op grond van Dublinverordening

Verzoeker heeft tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid beroep ingesteld omdat zijn asielaanvraag niet in behandeling werd genomen met de reden dat Oostenrijk verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.

De voorzieningenrechter overweegt dat het beroep niet binnen de overdrachtstermijn kan worden behandeld, waardoor spoed aanwezig is om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker kon wegens gezondheidsklachten niet bij de zitting aanwezig zijn en vroeg om aanhouding van de behandeling.

De voorzieningenrechter acht het belang van verzoeker om bij de behandeling aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van overdracht vóór de zitting. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het bestreden besluit geschorst.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 875, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het besluit tot niet-ontvankelijkheid wordt geschorst en verzoeker mag de behandeling van zijn beroep in Nederland afwachten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.36680

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt overgedragen voordat op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat vereist, gelet op de betrokken belangen.
2. De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw [1] , omdat een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is, zoals omschreven in de Dublinverordening [2] . Deze verordening stelt daarbij een termijn waarbinnen verzoeker dient te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat. De voorzieningenrechter stelt, gelet op het navolgende, vast dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat het beroep van verzoeker niet kan worden afgehandeld binnen deze uiterste overdrachtstermijn. De vereiste spoed is daarmee gegeven.
3. Het beroep is gepland op een zitting van 31 januari 2024. Verzoeker heeft op 30 januari 2024 gemeld dat hij wegens gezondheidsklachten niet bij de zitting aanwezig kan zijn en heeft verzocht om aanhouding van de behandeling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn beroep aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker daarvóór al over te dragen. De voorzieningenrechter zal dan ook bij wijze van ordemaatregel het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toewijzen op de hierna te melden wijze.
4. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 875 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker de behandeling van zijn beroep (zaaknummer NL23.36679) in Nederland mag afwachten;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.