De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door een onveilige en conflictueuze thuissituatie, mede veroorzaakt door de verslavingen en autisme van de vader. De kinderen waren getuige van conflicten tussen de ouders, wat leidde tot angst en verdriet, vooral bij de oudste twee kinderen. De Raad stelde dat een verplicht hulpverleningskader noodzakelijk was om de veiligheid te waarborgen.
De ouders voerden verweer en benadrukten hun inzet voor vrijwillige hulpverlening, waaronder begeleiding van de vader bij verslavingszorg en psychologische gesprekken voor de moeder. De gecertificeerde instelling ondersteunde dit standpunt en zag geen ontwikkelingsbedreiging, omdat de kinderen sociaal functioneren en open zijn over hun zorgen.
De kinderrechter erkende de ernst van de situatie en de impact op de kinderen, maar concludeerde dat de ouders voldoende gemotiveerd zijn en meewerken aan hulpverlening. De huidige opvoedomgeving wordt als voldoende veilig beschouwd. De kinderrechter hechtte vertrouwen in voortzetting van het vrijwillige kader en vond dat niet werd voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling.
De beschikking wijst het verzoek af, met een nadrukkelijk beroep op de ouders om de ingezette hulpverlening voort te zetten en te voorkomen dat de kinderen opnieuw in een onveilige situatie terechtkomen. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.