ECLI:NL:RBDHA:2024:11553
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier wegens niet voldoen aan Chavez-Vilchez voorwaarden en artikel 8 EVRM
Eiser, een Jamaicaanse nationaliteit dragende man, verzocht om een verblijfsvergunning regulier in Nederland op grond van verblijf bij familie- of gezinsleden. Zijn aanvraag werd afgewezen omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez, mede omdat hij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en geen vrijstelling van het mvv-vereiste kon worden toegekend.
Eiser voerde in beroep aan dat de hoorplicht was geschonden omdat verweerder de uitslag van een DNA-onderzoek, waaruit bleek dat hij de biologische vader is van de minderjarige dochter van zijn partner, niet had afgewacht voordat een nieuwe hoorzitting werd gepland. Ook stelde hij dat hij daadwerkelijke zorgtaken vervult en dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie, waardoor hij recht zou hebben op verblijf. Daarnaast stelde hij dat zijn uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro en dat toepassing van de hardheidsclausule op zijn situatie van toepassing zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende pogingen had gedaan om een hoorzitting in te plannen en dat de afwezigheid van eiser en zijn gemachtigde voor eigen risico kwam. Er was geen schending van de hoorplicht. Verder concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk zorgtaken vervult die een meer dan marginaal karakter hebben, noch dat er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat de minderjarige dochter het grondgebied van de EU zou moeten verlaten bij weigering van verblijf. Ook het biologisch vaderschap maakte dit niet anders. Ten aanzien van artikel 8 EVRM Pro achtte de rechtbank dat er geen sprake is van hechte, persoonlijke banden die verblijf rechtvaardigen.
Tot slot werd geoordeeld dat geen sprake is van onbillijkheid van overwegende aard die toepassing van de hardheidsclausule zou rechtvaardigen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. De rechtbank wees erop dat bij een nieuwe aanvraag opnieuw beoordeeld kan worden of aan de voorwaarden wordt voldaan.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning regulier wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.