Eiser, een timmerman, meldde zich ziek na een bedrijfsongeval waarbij zijn rechterschouder werd gebroken. Verweerder beëindigde zijn Ziektewet-uitkering per 27 november 2020 op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundige beoordeling dat eiser passend werk kon verrichten. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze beslissing.
De rechtbank constateerde in een tussenuitspraak een motiveringsgebrek in het bestreden besluit en gaf verweerder de gelegenheid dit te herstellen. Verweerder legde aanvullende medische rapportages over, waarop eiser reageerde. De rechtbank beoordeelde de medische beperkingen, waaronder schouderklachten, urenbeperking door EMDR-behandeling, psychische klachten en tintelingen in de rechterarm, en concludeerde dat de verzekeringsarts de beperkingen voldoende had gemotiveerd en niet onderschatte.
De arbeidsdeskundige stelde dat eiser geschikt was voor drie voorbeeldfuncties, ondanks bezwaren van eiser over de uitvoerbaarheid. De rechtbank volgde de arbeidsdeskundige en oordeelde dat eiser met deze functies meer dan 65% van zijn loon kon verdienen, waardoor de beëindiging van de Ziektewet-uitkering terecht was.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens het eerdere motiveringsgebrek, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het gebrek was hersteld. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Daarnaast kende de rechtbank eiser een immateriële schadevergoeding van €2.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase.