Eisers hebben op 14 maart 2023 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De minister heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist, ondanks ingebrekestellingen op 3 oktober 2023 en 19 maart 2024.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn van 90 dagen, zoals voorgeschreven in artikel 2u van de Vreemdelingenwet, is verstreken en dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. De minister heeft geen verweerschrift ingediend en geen bijzondere omstandigheden aangevoerd.
De rechtbank draagt de minister op binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens legt zij een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat de beslissing wordt vertraagd, met een maximum van €7.500. De reeds verbeurde dwangsom wordt vastgesteld op €1.442.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eisers, vastgesteld op €437,50. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en openbaar gemaakt zonder zitting.