ECLI:NL:RBDHA:2024:11805

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juli 2024
Publicatiedatum
29 juli 2024
Zaaknummer
NL24.19737
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Bruinse - Pot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Gambiaanse vreemdeling wegens onvoldoende aannemelijkheid van dreiging

Eiser, een Gambiaanse nationaliteit, diende in april 2021 een asielaanvraag in die door de minister in april 2024 werd afgewezen. Hij vreesde vervolging en mishandeling door de familie van zijn voormalige partner na een verkeersongeluk in Gambia.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij nog steeds door de familie werd gezocht of bedreigd. Zijn beweringen waren gebaseerd op indirecte informatie, zoals verklaringen van zijn moeder, zonder concreet bewijs of recente incidenten.

Daarnaast stelde de rechtbank vast dat eiser geen pogingen had ondernomen om bescherming te zoeken bij de Gambiaanse autoriteiten. Ook de vrees voor een oneerlijke rechtsgang of detentie was niet onderbouwd.

De verwijzing naar een eerdere zaak waarin detentie mogelijk in strijd met artikel 3 EVRM Pro werd geacht, was niet relevant omdat de omstandigheden daar wezenlijk verschilden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoedingen af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.19737

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Spapens),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser is van Gambiaanse nationaliteit en geboren op [geboortedatum] 1998. Hij heeft op 9 april 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 april 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.1.
Partijen hebben de rechtbank laten weten dat de zaak zonder zitting kan worden afgedaan. De rechtbank volgt partijen in dit verzoek. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting [1] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser had een relatie met [naam]. Toen zij op een avond samen terugreden naar huis, zijn zij aangereden door een auto en beiden gewond geraakt. De familie van [naam] heeft eiser vervolgens verantwoordelijk gehouden voor het ongeluk en hem bedreigd. Hierop is eiser Gambia ontvlucht.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Relatie met [naam] en bijbehorende problemen.
De minister acht het eerste element geloofwaardig en het tweede element geloofwaardig voor zover het de gestelde relatie met [naam] betreft. Daarnaast wordt gevolgd dat eiser als gevolg van een ongeluk bedreigd is door de familie van [naam] om niet
langer met haar om te gaan. Niet gevolgd wordt dat er tot op de dag van vandaag nog problemen spelen als gevolg van het ongeluk in 2012. De minister stelt dat eisers vrees op vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM niet aannemelijk is. Op wat de minister daartoe overweegt wordt hieronder – voor zover relevant – nader ingegaan.
Stelt de minister terecht dat eisers vrees op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM niet aannemelijk is?
6. Eiser betoogt dat hij door zijn problemen met de familie van [naam] bij terugkeer naar Gambia een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Hij heeft namelijk van zijn moeder gehoord dat de familie van [naam] aangifte tegen hem heeft gedaan. Eiser blijft proberen om aanvullend bewijs te vergaren over de aangifte. Bovendien betoogt eiser dat familieleden van [naam] nog steeds naar hem vragen, maar dat hij dit niet met bewijzen kan onderbouwen omdat zij hiervan geen bewijs achterlaten. Eiser handhaaft dan ook zijn standpunt dat er nog steeds sprake is van een actuele bedreiging van de kant van de familie van [naam]. Tot slot betoogt eiser dat hij bij voorkomende problemen niet de bescherming van de Gambiaanse autoriteiten kan inroepen, dat hij geen eerlijke rechtsgang zal krijgen en het risico loopt dat hij naar de gevangenis moet. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar een vergelijkbare zaak waarin deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft aangenomen dat er bij detentie in Gambia mogelijk sprake is van schending van artikel 3 van Pro het EVRM. [2]
6.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat eisers vrees op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM niet aannemelijk is. Eiser heeft zijn vermoeden dat hij nog steeds door de familie van [naam] wordt gezocht niet aannemelijk gemaakt. Van eiser had verwacht mogen worden dat hij concreter zou kunnen verklaren door wie, wanneer en op welke wijze naar hem zou zijn gevraagd. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij zelf sinds 2012 niets meer heeft vernomen van de familie. [3] Ook heeft eiser enkel via zijn moeder gehoord dat de familie van [naam] aangifte tegen hem zou hebben gedaan. Verder heeft eiser de aangifte op geen enkele manier onderbouwd. De minister betoogt terecht dat eiser via de personen met wie hij nog contact stelt te hebben in Gambia meer informatie had kunnen inwinnen over de huidige situatie. [4] Mocht eiser in een voorkomend geval toch problemen ondervinden met de familie van [naam], dan kan hij bescherming vragen bij de Gambiaanse autoriteiten. [5] Eiser heeft daar tot op heden echter geen enkele poging toe ondernomen. Daarnaast heeft eiser zijn vermoeden dat hij bij terugkeer naar Gambia in de gevangenis terecht zal komen of geen eerlijke rechtsgang zal krijgen, op geen enkele manier onderbouwd. Zo heeft eiser verklaard dat hij buiten zijn schuld is aangereden en niet aannemelijk gemaakt dat de Gambiaanse politie een onderzoek tegen hem heeft ingesteld. De verwijzing van eiser naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, slaagt niet. In die zaak was namelijk niet in geschil dat de vreemdeling door de Gambiaanse politie werd gezocht en dat hij bij terugkeer te vrezen had voor arrestatie door de Gambiaanse politie. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk.
2.4 oktober 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:4158.
3.P. 16 Verslag aanvullend gehoor.
4.P. 15 Verslag aanvullend gehoor.
5.US Department of State, The Gambia Human Rights Report 2022.