Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 29 september 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser op 8 september 2023 reeds een asielverzoek in Duitsland had ingediend, wat door de Duitse autoriteiten bevestigd werd.
Eiser voerde aan dat verweerder op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening zijn aanvraag inhoudelijk had moeten behandelen vanwege zijn familieband met een broer in Nederland, zijn jongvolwassen leeftijd en de ontheemding van zijn gezin. De rechtbank oordeelde dat verweerder terughoudend gebruik maakt van deze discretionaire bevoegdheid en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat overdracht aan Duitsland een onevenredige hardheid oplevert.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet wilde verblijven bij zijn broer en dat de omstandigheden niet leidden tot een bijzondere individuele situatie die een inhoudelijke behandeling in Nederland rechtvaardigt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.