ECLI:NL:RBDHA:2024:11822
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen terugvordering bijstandsuitkering ongegrond verklaard
Eiseres ontving vanaf oktober 2019 een bijstandsuitkering. Het college stelde vast dat zij in de periode december 2021 tot en met maart 2022 te veel bijstand had ontvangen omdat zij ook een Ziektewetuitkering ontving. Het college herzag het recht op bijstand en besloot tot verrekening van het te veel ontvangen bedrag. Later trok het college de bijstandsuitkering in per maart 2022 vanwege het feit dat eiseres zelfstandig ondernemer werd. Hierdoor kon verrekening niet meer plaatsvinden en werd een bedrag van €660,14 teruggevorderd.
Eiseres maakte bezwaar tegen deze terugvordering, maar het college handhaafde het besluit. Tijdens de zitting gaf de gemachtigde van eiseres aan dat zij de juistheid van het besluit onderschrijft en haar bezwaren niet langer handhaaft. De rechtbank verklaarde daarom het beroep ongegrond en liet de terugvordering in stand. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
De uitspraak werd gedaan door rechter L.C. Bannink op 19 juli 2024. Partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van de bijstand wordt ongegrond verklaard en de terugvordering blijft in stand.