ECLI:NL:RBDHA:2024:11840
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen intrekking verblijfsvergunning mensenhandel en afwijzing wijziging doel humanitair niet-tijdelijk
Eiser heeft in oktober 2018 aangifte gedaan van mensenhandel en ontving daarop een verblijfsvergunning humanitair tijdelijk. Na sepot van de strafzaak in augustus 2021 trok de staatssecretaris de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in. Eiser vroeg vervolgens om wijziging van het verblijfsdoel naar humanitair niet-tijdelijk, maar dit verzoek werd afgewezen omdat niet was gebleken van bijzondere omstandigheden die verblijf rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelt dat het beoordelingskader voor de aanvraag van een verblijfsvergunning op humanitaire gronden niet ruimer is dan het bestaande kader in het Vreemdelingenbesluit en de Vreemdelingencirculaire. Ook is de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro zorgvuldig en proportioneel uitgevoerd, waarbij rekening is gehouden met de sterke banden van eiser met de Filipijnen.
Verder is vastgesteld dat verweerder terecht heeft vastgehouden aan het beleid en dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die een afwijking daarvan rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de bodemzaak is behandeld. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en afwijzing wijziging humanitair niet-tijdelijk wordt ongegrond verklaard.