Verzoekers hebben bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft deze aanvragen niet in behandeling genomen op grond van de Dublinverordening, omdat België verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van de asielaanvragen.
Tegen deze besluiten hebben verzoekers beroep ingesteld en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met verwante zaken op 18 juni 2024 behandeld.
De rechtbank heeft bij uitspraak in de hoofdzaak geoordeeld dat een voorlopige voorziening niet langer nodig is, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter P.J.M. Mol en griffier K.L.H. Thomas op 21 juni 2024.