ECLI:NL:RBDHA:2024:1192
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verblijfsrecht op grond van artikel 21 VWEU bij dubbele Unielidstaat-nationaliteit
Eiseres, met de Cubaanse nationaliteit, is gehuwd met een referent die zowel de Nederlandse als Tsjechische nationaliteit bezit. Na samenwonen in Tsjechië en Nederland, diende eiseres een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER, die werd afgewezen door de staatssecretaris. De kern van het geschil betreft de vraag of het verblijfsrecht van de referent en daarmee van eiseres in Tsjechië aanknopingspunten heeft met het Unierecht of uitsluitend gebaseerd is op de Tsjechische nationaliteit van de referent.
De staatssecretaris verwees naar arresten van het HvJEU (McCarthy en Lounes) om de aanvraag af te wijzen, stellende dat verblijf in een lidstaat waarvan men de nationaliteit bezit niet onder de Verblijfsrichtlijn valt. Eiseres betwistte dit, met verwijzing naar jurisprudentie waaronder een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2012.
De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse nationaliteit van de referent geen afbreuk doet aan de rechten die hij aan zijn andere Unielidstaat-nationaliteit ontleent. De situatie van de referent wijkt af van de interne situatie in het arrest McCarthy, omdat hij daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer door in een andere lidstaat te verblijven en te werken. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 21 VWEU Pro en draagt de staatssecretaris op binnen twee weken het gevraagde verblijfsdocument te verstrekken.
De verzoeken om voorlopige voorzieningen worden afgewezen omdat de rechtbank reeds op het beroep heeft beslist. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan eiseres vergoed. De overige gronden blijven onbesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met de opdracht aan de staatssecretaris om binnen twee weken het verblijfsdocument te verstrekken.