ECLI:NL:RBDHA:2024:1195

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2024
Publicatiedatum
5 februari 2024
Zaaknummer
NL23.30208
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring verzoek voorlopige voorziening wegens te late betaling griffierecht

De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 2 februari 2024 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker had gevraagd om uitzetting achterwege te laten totdat op zijn bezwaar was beslist. De rechtbank besloot partijen niet uit te nodigen voor een zitting omdat dat niet noodzakelijk werd geacht.

De kern van het oordeel was dat het griffierecht niet tijdig was betaald. Verzoeker werd bij aangetekende brief op 23 september 2023 gewezen op de betalingstermijn van twee weken. De betaling vond echter pas plaats op 12 januari 2024, ruim na het verstrijken van de termijn. Verzoeker heeft geen reden voor de late betaling opgegeven.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late betaling van het griffierecht zonder verontschuldiging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.30208

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 februari 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , v-nummer: [nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het verzoek van verzoeker van 21 september 2023 om een voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot er op zijn bezwaar is beslist.
1.1.
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het griffierecht te laat is betaald en verzoeker niet heeft toegelicht waarom het griffierecht te laat is betaald. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
3. Iemand die de voorzieningenrechter vraagt een voorlopige voorziening te treffen, moet griffierecht betalen. [2] De griffier stelt de termijn waarbinnen het griffierecht betaald moet zijn. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
4. Bij aangetekende brief van 23 september 2023 is verzoeker er op gewezen dat hij binnen twee weken het griffierecht moest betalen. De voorzieningenrechter stelt na raadplegen van de financiële administratie van de rechtbank vast dat het griffierecht niet binnen de gestelde betalingstermijn is voldaan. De rechtbank heeft het griffierecht namelijk op 12 januari 2024, ruimschoots na het verstrijken van de betalingstermijn pas ontvangen. Verzoeker heeft geen reden voor het te laat betalen van het griffierecht meegedeeld aan de voorzieningenrechter. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Art. 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dat staat in artikel 8:82, van de Awb.