ECLI:NL:RBDHA:2024:12040
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie beoordeeld om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, die bepaalt dat een andere lidstaat verantwoordelijk kan zijn voor de behandeling van de aanvraag, in dit geval Bulgarije.
Eiser stelde dat hij in Bulgarije is gedetineerd, mishandeld en slachtoffer is geworden van een pushback, waardoor hij risico loopt op schending van artikel 4 van Pro het Handvest bij terugkeer. De rechtbank oordeelde dat eiser deze ernstige beweringen onvoldoende heeft onderbouwd en dat de minister terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij wordt aangenomen dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen nakomt.
De rechtbank vond dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van structurele tekortkomingen in het Bulgaarse asiel- en opvangsysteem die een hoog drempelniveau bereiken, zoals vereist om artikel 17 van Pro de Dublinverordening toe te passen. Ook het argument dat eiser psychische of medische problemen zou hebben door zijn ervaringen werd niet onderbouwd.
Daarmee bleef het besluit van de minister in stand en werd het beroep ongegrond verklaard. Eiser mag worden overgedragen aan Bulgarije en krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter M.I. van Meel op 18 juli 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Bulgarije blijft gehandhaafd.