ECLI:NL:RBDHA:2024:12073
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Wrakingsverzoek kantonrechter afgewezen wegens te late indiening
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. J.T.W. van Ravenstein, kantonrechter in de hoofdzaak, omdat hij meende dat de kantonrechter de schijn van partijdigheid had gewekt door onvoldoende gelegenheid te geven tot het toelichten van zijn standpunt en het accepteren van het weigeren van een vergelijk door de wederpartij.
De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en vastgesteld dat het wrakingsverzoek pas een maand na de mondelinge behandeling werd ingediend. Hoewel verzoeker aanvoerde dat hij pas laat op het idee kwam het verzoek in te dienen, oordeelde de wrakingskamer dat dit tijdsverloop niet redelijk was.
Op grond van artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet een wrakingsverzoek direct na het bekend worden van de omstandigheden worden ingediend om onnodige vertraging en het verrichten van proceshandelingen door een mogelijk bevooroordeelde rechter te voorkomen.
De wrakingskamer verklaarde het verzoek daarom niet-ontvankelijk en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die stond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. Een inhoudelijke beoordeling van de vermeende partijdigheid vond niet plaats.
Uitkomst: Wrakingsverzoek afgewezen wegens te late indiening; hoofdzaak wordt voortgezet.