ECLI:NL:RBDHA:2024:12073

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2024
Publicatiedatum
2 augustus 2024
Zaaknummer
C/09/668908/KG RK 24-977
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 RvArt. 39 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek kantonrechter afgewezen wegens te late indiening

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. J.T.W. van Ravenstein, kantonrechter in de hoofdzaak, omdat hij meende dat de kantonrechter de schijn van partijdigheid had gewekt door onvoldoende gelegenheid te geven tot het toelichten van zijn standpunt en het accepteren van het weigeren van een vergelijk door de wederpartij.

De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en vastgesteld dat het wrakingsverzoek pas een maand na de mondelinge behandeling werd ingediend. Hoewel verzoeker aanvoerde dat hij pas laat op het idee kwam het verzoek in te dienen, oordeelde de wrakingskamer dat dit tijdsverloop niet redelijk was.

Op grond van artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet een wrakingsverzoek direct na het bekend worden van de omstandigheden worden ingediend om onnodige vertraging en het verrichten van proceshandelingen door een mogelijk bevooroordeelde rechter te voorkomen.

De wrakingskamer verklaarde het verzoek daarom niet-ontvankelijk en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die stond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. Een inhoudelijke beoordeling van de vermeende partijdigheid vond niet plaats.

Uitkomst: Wrakingsverzoek afgewezen wegens te late indiening; hoofdzaak wordt voortgezet.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2024/53/10929071 RL EXPL 24-3293
zaak- /rekestnummer: C/09/668908 / KG RK 24-977
Beslissing van 30 juli 2024
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. J.T.W. van Ravenstein,
kantonrechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de kantonrechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 30 juni 2024;
- de schriftelijke reactie van de kantonrechter van 18 juli 2024.
1.2.
Op 22 juli 2024 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verzoeker en de kantonrechter verschenen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de kantonrechter in de zaak met nummer 10929071 RL EXPL 24-3293 tussen verzoeker en [wederpartij in de hoofdzaak] .
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de kantonrechter bij de behandeling van zijn zaak ter zitting de schijn van partijdigheid heeft gewekt. De kantonrechter heeft verzoeker namelijk onvoldoende gelegenheid gegeven zijn standpunt toe te lichten; zich niet in de achtergrond en aanleiding van het geschil verdiept; en geaccepteerd dat de wederpartij weigerde om in onderling overleg tot een vergelijk te komen.
2.3.
De kantonrechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft gemotiveerd op het verzoek gereageerd.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Uit artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren zodra deze aan hem bekend zijn geworden. Na indiening van het verzoek wordt de procedure direct geschorst. Zo wordt voorkomen dat de rechter proceshandelingen verricht gedurende een periode waarvan later wordt vastgesteld dat hij toen niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. Ook is beoogd onnodige vertraging van de rechtspleging te voorkomen.
3.3.
De door verzoeker aangevoerde omstandigheden zijn aan hem bekend geworden op 31 mei 2024, de datum waarop de mondelinge behandeling heeft plaatsgehad. Het wrakingsverzoek is gedaan op 30 juni 2024, een maand later. Ter verklaring van dit tijdsverloop heeft verzoeker aangevoerd dat hij pas een wrakingsverzoek heeft overwogen toen een vriend hem op mogelijke onvolkomenheden had gewezen. Dat was eind juni, kort voordat verzoeker de uitspraak in zijn zaak verwachtte.
3.4.
De wrakingskamer is van oordeel dat deze verklaring het tijdsverloop redelijkerwijs niet kan rechtvaardigen. Het verzoek is daarom te laat ingediend en verzoeker kan dan ook niet worden ontvangen in het verzoek.
3.5.
Nu het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard, komt de wrakingskamer niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
verklaart verzoeker in zijn verzoek tot wraking niet-ontvankelijk;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de wederpartij in de hoofdzaak p/a zijn gemachtigde [gemachtigde] ;
• de kantonrechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. G.P. Kleijn, M. Rootring en J. Snoeijer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.