Eiser diende een AVG-klacht in tegen de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) vanwege een vermeend onrechtmatige gegevensuitwisseling tussen zijn voormalig curator en ABN AMRO Bank. Eiser stelde dat een medewerker van de bank op 19 juli 2022 persoonsgegevens had gedeeld met een curator die niet meer bevoegd was, omdat het faillissement van eiser op 7 juli 2022 was opgeheven.
De AP wees de klacht af en verklaarde het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond. Na intrekking van dat besluit volgde een nieuw besluit waarbij wederom het bezwaar ongegrond werd verklaard. De rechtbank behandelde het beroep van eiser tegen deze besluiten en oordeelde dat de AP beleidsvrijheid heeft om te bepalen of nader onderzoek nodig is. De AP had op basis van de beschikbare informatie geconcludeerd dat niet duidelijk was of er sprake was van een overtreding, omdat niet helder was welke gegevens waren uitgewisseld.
De rechtbank vond dat de AP terecht afzag van nader onderzoek, mede vanwege de beperkte maatschappelijke impact, het tijdsverloop en het ontbreken van een centraal thema voor handhaving in 2024. Het beroep tegen het besluit van 28 maart 2024 werd ongegrond verklaard, terwijl het beroep tegen het ingetrokken besluit van 17 augustus 2023 niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van belang. Verweerder werd opgedragen het griffierecht aan eiser te vergoeden.