ECLI:NL:RBDHA:2024:12083

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juni 2024
Publicatiedatum
2 augustus 2024
Zaaknummer
SGR 23/3312
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 PaspoortwetArt. 3 lid 1 Rijkswet op het Nederlanderschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Buiten behandelingstelling paspoortaanvragen minderjarige zonen wegens twijfel identiteit en nationaliteit

Eiser heeft namens zijn minderjarige zonen paspoortaanvragen ingediend die door verweerder buiten behandeling zijn gesteld omdat de identiteit en Nederlandse nationaliteit van de zonen niet kon worden vastgesteld. De aangeleverde Somalische geboorteaktes en paspoorten werden onderzocht door het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, dat concludeerde dat deze documenten waarschijnlijk niet bevoegd waren opgemaakt en de legalisatie frauduleus was verkregen.

Eiser voerde aan dat ook Turkse verblijfsvergunningen en DNA-onderzoek de identiteit en afstamming bevestigen en dat het niet in behandeling nemen van de aanvragen in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. De rechtbank oordeelde echter dat de bewijslast bij de aanvrager ligt en dat de twijfel over de echtheid van de documenten en de juridische ouderschap niet kon worden weggenomen.

De rechtbank stelde vast dat verweerder terecht de aanvragen buiten behandeling heeft gesteld en dat het horen van eiser in bezwaar niet noodzakelijk was omdat het bezwaar geen ander resultaat zou opleveren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen aanleiding gezien voor terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de buiten behandelingstelling van de paspoortaanvragen is ongegrond verklaard vanwege twijfel over identiteit en nationaliteit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3312

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,als wettelijk vertegenwoordiger van [naam 1] en [naam 2] ,

(gemachtigde: mr. J.M. Walther en mr. F Kelder),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L.H.T. Geuzendam).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buitenhandelingstelling van de paspoortaanvragen voor zijn minderjarige zonen.
1.1.
Verweerder heeft de aanvragen met de besluiten van 4 juli 2022 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 7 april 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de buitenbehandelingstelling gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 mei 2024 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig eiser (via een digitale verbinding) en zijn gemachtigden en de gemachtigde van verweerder. Verder was er een tolk aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Op 1 maart 2022 hebben eiser en zijn echtgenote Nederlandse paspoorten aangevraagd voor hun minderjarige zoons [naam 1] en [naam 2] . Eiser en zijn echtgenote zijn beiden geboren in Somalië, evenals hun kinderen. Bij Koninklijk Besluit van 12 juni 2013 heeft eiser het Nederlanderschap verkregen. Zijn echtgenote heeft niet de Nederlandse nationaliteit. In 2016 zijn eiser en zijn echtgenote met elkaar in het huwelijk getreden.
3. Bij de aanvraag zijn Somalische geboorteaktes en Somalische paspoorten van de zonen overgelegd. Daaruit zou moeten blijken dat zij op respectievelijk [geboortedatum 1] 2017 en [geboortedatum 2] 2020 zijn geboren in [geboorteplaats] , Somalië, en dat eiser en zijn echtgenote hun ouders zijn. Deze documenten zijn voorzien van een legalisatie afgegeven door het ministerie van Buitenlandse Zaken van Somalië.
4. Verweerder heeft de echtheid van de geboorteakten laten onderzoeken door het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (BD). Dit heeft geleid tot een verklaring van onderzoek van 7 juni 2022, waarin is geconcludeerd dat de documenten waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven en dat de legalisatie waarschijnlijk frauduleus is verkregen. Daaruit volgt dat de identiteit en daarmee de Nederlandse nationaliteit van de zonen niet kan worden vastgesteld, zodat de aanvragen door verweerder buiten behandeling zijn gesteld.
Wat vindt eiser in beroep?
5.
Eiser stelt dat de identiteit en daarmee de Nederlandse nationaliteit van zijn minderjarige zonen voldoende is aangetoond. De bewijsmaatstaf die verweerder aanhoudt is onredelijk en onuitvoerbaar. Niet alleen uit de paspoorten en geboorteaktes volgt hun identiteit, maar ook uit de Turkse verblijfsvergunningen die zijn voorzien van dezelfde persoonsgegevens. Ook volgt uit de namens eiser uitgevoerd DNA-onderzoeken van 17 juli 2023 dat beide zonen zo goed als zeker nakomeling zijn van eiser en zijn echtgenote. Dat de aanvragen niet in behandeling worden genomen is bovendien in strijd met artikel 3 en Pro 8 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Ook is ten onrechte het horen in de bezwaarfase achterwege gelaten.
Het oordeel van de rechtbank
6. Iedere Nederlander heeft recht op een nationaal paspoort. [1] Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is. [2]
7. Voor de vaststelling van de identiteit moet de aanvrager van een paspoort geldige identiteits- of reisdocumenten overleggen zoals een paspoort en een geboorteakte. Het is vaste rechtspraak dat de bewijslast om de nodige zekerheid te verschaffen over het gestelde Nederlanderschap bij de aanvrager berust. De wetgever hecht een groot belang aan het bevorderen van het behoud van vertrouwen in de Nederlandse reisdocumenten, met name vanwege de onmisbare rol die deze documenten vervullen als bewijs op het eerste gezicht van identiteit en nationaliteit. Dat betekent dat de identiteit en nationaliteit van de aanvrager buiten twijfel moeten staan. [3]
8. Documenten uit Somalië worden in Nederland niet erkend wegens het ontbreken van centraal gezag in dat land. Verweerder voert het beleid dat het niet-erkennen van dergelijke documenten onder bijzondere omstandigheden niet doorslaggevend is omdat dit anders zou betekenen dat een kind dat in Somalië is geboren nooit het Nederlanderschap zou kunnen ontlenen aan een van de Nederlandse ouders en dus nooit een Nederlands paspoort zou kunnen krijgen. Dat vindt verweerder niet wenselijk. Daarom laat verweerder Somalische geboorte- en huwelijksakten eerst op echtheid onderzoeken door het BD. In het geval dat de documenten positief zijn beoordeeld, laat verweerder een DNA-onderzoek doen naar de relatie tussen het kind en de gestelde ouders. Bij een positieve uitslag daarvan kan verweerder een Nederlands paspoort aan het kind verstrekken. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat via die weg meer dan eens Nederlandse paspoorten zijn verstrekt.
9. Ten aanzien van de Somalische geboorteakten en identiteitsbevestigingen heeft verweerder op goede gronden kunnen oordelen dat de inhoudelijke juistheid van deze documenten niet kan worden vastgesteld omdat de documenten waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven en de legalisatie waarmerken frauduleus zijn verkregen. Het BD heeft afwijkingen in de verschijningsvorm, opmaak en afgifte van de geboorteakten en de identiteitsbevestigingen geconstateerd ten opzichte van beschikbaar referentiemateriaal. Verweerder heeft zich mogen baseren op de verklaring van onderzoek van het BD en mag in principe uitgaan van de juistheid van de adviezen die door deze deskundige dienst worden uitgebracht. Er bestaan geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de inhoudelijke juistheid en de zorgvuldige totstandkoming van dat advies. Dat de huwelijksakte hoogstwaarschijnlijk echt is bevonden maakt dat niet anders.
10. De overgelegde verklaringen inzake geboorte afgegeven op 22 juni 2023 door de Somalische ambassade in Ankara en de overige overgelegde documenten, zoals de Somalische paspoorten, kunnen geen ander licht op de zaak werpen. Deze documenten zijn geen brondocumenten, zoals de geboorteakten.
11. Verder kan het door eiser overgelegde DNA-onderzoek geen ander licht op de zaak werpen. Nog los van het gegeven dat volgens het beleid van verweerder pas aan DNA-onderzoek wordt toegekomen als na onderzoek een geboorteakte na onderzoek positief is bevonden, is een mogelijke vaststelling van de biologische afkomst met DNA alleen onvoldoende. Ook het juridische ouderschap is van belang.
12. Ook met de overgelegde documenten en het DNA-onderzoek bestaat er daarom nog steeds twijfel over de identiteit en de daarmee samenhangende nationaliteit van de minderjarige zonen van eiser. Gelet hierop was er geen aanleiding voor verweerder om de paspoortaanvraag in behandeling te nemen.
12. Verweerder heeft in dit licht van het horen van eiser in bezwaar kunnen afzien. Niet is aannemelijk dat het bezwaar, met inachtneming van de aangevoerde gronden, tot een ander oordeel had kunnen leiden.
12. Tot slot is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het beroep op artikel 3 en Pro artikel 8 van Pro het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind in deze niet tot een ander oordeel kan leiden, nu er onduidelijkheid is over de identiteit en nationaliteit van de zonen.
15. Dat het voor eiser moeilijk en soms gevaarlijk kan zijn om documenten uit Somalië te verkrijgen begrijpt de rechtbank, maar met de in deze zaak overgelegde documenten en ook met het DNA-onderzoek kan de identiteit en nationaliteit niet worden vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag op goede gronden niet in behandeling heeft genomen.
16. Voor terugbetaling van het griffierecht of vergoeding van zijn proceskosten is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 9 van Pro de Paspoortwet.
2.Artikel 3, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2483.